Wurmpie presenteert / verhaal 01

Thriller ✳
01 / 01

Thriller

Driving home
for Christmas.

Een lange rit. Een lege weg. En een geheim dat niet thuis had mogen komen.

Niet wegrijden. Wurmpie kijkt geheimzinnig

Lees rustig. Kijk af en toe over je schouder.

✳

Hallo lezer! Ik heb een kort kerstverhaal geschreven. Mocht je helemaal geen lezer zijn, dan kan je hieronder op play drukken en beluisteren hoe ik het zelf voorlees. Mocht je wel een lezer zijn, dan staat daaronder de hele tekst.

‘Wat ga jij doen met kerst?’ Walter kijkt tevreden naar de loper die hij zojuist heeft verplaatst, daarna kijkt hij naar Sjoerd. Hij leunt achterover in zijn stoel, neemt een slokje van zijn bier en trekt zijn wenkbrauwen even op, om te zeggen: jij bent.

Sjoerd staart naar het schaakbord en probeert te doen alsof hij nadenkt. Hij laat zijn hand even boven een paar stukken zweven in de hoop iets van Walters gezicht te lezen, een glimlach, een frons, maar die blijft uit. ‘Ik weet nog niet wat ik ga doen met kerst,’ zegt hij. Hij schuift een pion naar voren. Dat is toch het fijne aan pionnen, de mogelijkheden zijn beperkt.

Walter gnuift. Sjoerd kijkt op en ziet hem grijnzen. ‘Wat?’ vraagt Sjoerd. ‘Doe ik nou alweer iets doms?’

‘Nee,’ lacht Walter. ‘Dat jij nog niet weet wat je gaat doen met kerst. Dat is morgen.’ Hij pakt zijn loper en slaat een paard. ‘Jij bent zo’n weirdo eigenlijk.’

Sjoerd kijkt toe terwijl zijn paard van het bord wordt geveegd. Hoe kon hij dat nou niet voorzien hebben? Walter neemt de laatste slok bier uit zijn glas en staat op. ‘Ik haal er nog twee. Heb jij even tijd om na te denken.’

Het schijnt in poker zo te zijn dat het voor ervaren spelers juist moeilijk is om onervaren spelers te verslaan, omdat die niet weten wat ze doen en daarom niet te voorspellen zijn. Het is een beetje als boksen met een aap, die houdt zich ook niet aan de regels. Maar bij schaken ligt dat toch net weer anders, in ieder geval in dit potje. Sjoerd is wel een aap, maar dan een aap die moet schaken.

Door de speakers van de kroeg klinkt Driving home for Christmas. De bar is versierd met kersttakken en lampjes, Walter leunt er achteloos tegenaan terwijl hij gebaart naar de barvrouw. Zelfs van achteren kan Sjoerd het zelfvertrouwen lezen, het is de houding van iemand die weet dat hij gaat winnen.

Sjoerd kijkt weer naar het schaakbord, en voordat hij het bedacht heeft, gebeurt het. Zijn hand gaat naar het bord en begint stukken te verplaatsen. Eerst alleen de zwarte stukken van hemzelf, maar daarna ook de witte stukken van Walter. Hop, de koning een vakje naar links, het paard een stapje terug. Zijn bloed gaat sneller stromen en zijn blik schiet steeds even naar Walter aan de bar, maar die heeft niets door, hij heeft zijn telefoon gepakt. Hij moet het ook niet te bont maken, voelt Sjoerd, een paar stukken is genoeg.

Als Walter terug naar het tafeltje komt gelopen, met in iedere hand een volgetapt vaasje, moet Sjoerd zijn uiterste best doen om niet te gaan lachen of schreeuwen, het valsspelen heeft iets laten kolken vanbinnen en dat wil heel graag naar buiten.

Walter zet de glazen op tafel en gaat zitten. Handenwrijvend richt hij zijn aandacht weer op het bord, maar dan vormt zich een frons op zijn voorhoofd. Sjoerd probeert met alle macht een uitgestreken gezicht te bewaren, maar zijn ogen moeten iets verraden, want als Walter hem aankijkt lijkt hij onmiddellijk te begrijpen wat er is gebeurd. De teleurstelling is groot. ‘Waarom doe je dat nou?’ vraagt hij.

‘Wat?’ zegt Sjoerd. Hij hoort zijn stem overslaan en er verschijnt een glimlach op zijn gezicht, alsof nog niet zijn hele lichaam heeft meegekregen dat de grap niet goed is gevallen.

‘Ja dit,’ zegt Walter geërgerd. ‘Zo heeft het toch allemaal geen zin?’

‘Jezus, Walter,’ probeert Sjoerd nog. ‘Het is maar een spelletje.’

Walter is al opgestaan. Hij haalt zijn jas van zijn stoel en doet zijn sjaal om, zo ruw dat het lijkt alsof hij zichzelf wil laten stikken. Hij negeert alles wat Sjoerd zegt, van excuses tot bagatelliseringen, pas als hij zijn jas heeft dichtgeknoopt kijkt hij hem weer aan. ‘Het idee van een spel is dat je de regels respecteert. Anders slaat het helemaal nergens op.’

Sjoerd heeft Walter nog nooit zo boos gezien, de tranen staan in zijn ogen. Zonder verder nog iets te zeggen beent hij zo de kroeg uit.

De twee volle bierglazen staan nog naast het schaakbord. Sjoerd durft zich even niet te verroeren, alsof iedereen in de kroeg het zal hebben meegekregen en hem nu vermanend aanstaart, die paar stamgasten die hier elke avond zitten. Hij staart naar de stukken op het bord. Hoe heerlijk moet het zijn om hier een intuïtie voor te hebben, om een stelling te zien en simpelweg te voelen wat je moet doen. Sjoerd voelt niets.

Een paar uur later zoekt Sjoerd buiten in de kou naar zijn fiets. Hij weet niet precies meer waar hij die heeft neergezet, er staan honderden fietsen en hij ziet niet helemaal scherp meer. Het wordt geen witte kerst, het stormt, de wind laat de kerstverlichting onheilspellend heen en weer zwaaien tussen de lantaarnpalen, de schaduwen zwieren over straat.

Als Sjoerd zijn fiets eindelijk gevonden heeft, kan hij zijn fietssleutel weer niet vinden. Hij tast naar zijn jaszakken en voelt dat hij zijn jas niet aan heeft. Die ligt nog in de kroeg.

Maar de kroeg is al gesloten, blijkt als hij daar terugkomt, het rolluik voor de gevel is volledig omlaag getrokken. Alles zit in die jas, zijn sleutels, portemonnee, telefoon. Hij bonst op het rolluik en schrikt zelf van het kabaal, maar er is niemand die reageert of opendoet.

Hoe lang kan het nou geleden zijn dat hij hier zelf naar buiten liep? Hoe had het überhaupt zo laat kunnen worden? Sjoerd herinnert zich het leegdrinken van de bierglazen. Aan de bar had hij naar de oude dronkelap aan de andere kant gewezen en gezegd: ik wil wat hij heeft. Hij had een glas gekregen met een doorzichtige substantie, hij had het voelen branden van zijn keel tot in zijn maag. Daarna werden de herinneringen troebel.

Zijn huis is te ver van hier om te lopen, zijn benen zijn te slap. Sjoerd slentert naar de autoweg en dan naar een bushalte verderop. Hij heeft er nog nooit in gereden maar er moet een nachtbus zijn die langs zijn huis komt. Met één oog dichtgeknepen leest hij een bordje en daar staat het inderdaad. Maar of die dienstregeling nog geldt, en of hij nog op tijd is voor de laatste bus, dat moet allemaal maar blijken.

Sjoerd gaat even zitten op een bankje. Het glas van het bushokje is er met vuurwerk uit geblazen en dus waait de wind er vrijuit doorheen. Sjoerd slaat zijn armen over elkaar en steekt zijn handen onder zijn oksels, hij steekt zijn kin in de kraag van zijn trui. Heel even doet hij zijn ogen dicht, als hij ze weer opent staat er opeens een bus.

Met een flinke zucht gaan de deuren open. Sjoerd loopt naar de voorkant en stapt naast de chauffeur naar binnen. Zijn ov-chipkaart zit ook nog in die jaszak natuurlijk, dat realiseert hij zich nu pas. Sjoerd begint zich te verontschuldigen, maar de buschauffeur steekt al gauw zijn hand op om hem het zwijgen op te leggen. De man heeft een langwerpig gezicht met zwarte piekharen op zijn hoofd. Hij glimlacht en gebaart naar de lege bus achter hem. ‘Ga zitten joh.’

Sjoerd wil de man duizendmaal danken, maar de buschauffeur richt zich alweer tot de weg. De deuren schuiven dicht en nog voor Sjoerd is gaan zitten begint de bus te rijden. Nog net kan hij zich vastgrijpen aan een stang, hij laat zich zakken op een stoel. Hij kijkt nog even in de achteruitkijkspiegel voor oogcontact, maar de buschauffeur kijkt niet terug.

De bus is warm en de generositeit van de chauffeur werkt kalmerend. Sjoerd zakt onderuit en legt zijn hoofd tegen het raam. Steeds vallen zijn ogen dicht, iedere keer dat hij ze opent herkent hij de omgeving buiten niet. Maar zo zal dat gaan met de nachtbus, die beweegt in tijden en ruimtes waar mensen weinig komen.

image Als Sjoerd voor de zoveelste keer knikkebollend wakkerschrikt is het opeens pikdonker. Het duurt even voor hij doorheeft dat hij nog altijd in de bus zit, maar dat die ergens stilstaat, met alle lichten uit. Het is koud in de bus nu. Hij hoort zijn eigen ademhaling als hij opstaat en naar de voorzijde loopt. Het is amper te zien, maar de stoel van de chauffeur lijkt leeg, de voorruit is een groot zwart vlak geworden. Op de tast beweegt Sjoerd naar de deur, maar die zit potdicht, er is geen beweging in te krijgen.

Alles moet tegelijkertijd plaatsvinden, het ontwaken, het doorgronden van de situatie, en daarom slaat de paniek met enige vertraging toe. Sjoerd draait zich om naar de chauffeurscabine, op zoek naar een knop op het dashboard om de deur mee te openen, maar nog voor hij iets gevonden heeft wordt er achter hem op de deur gebeukt. Hij schrikt zich rot, slaakt een kreetje. Hij kijkt om maar ziet niets. Dan gebeurt het nog een keer, drie harde bonzen. Sjoerd zet net een voorzichtige pas richting de deur als een fel licht hem plotseling verblindt.

Sjoerd knijpt zijn ogen dicht, houdt zijn arm voor zijn gezicht. Als hij zijn ogen weer opent ziet hij eerst helemaal niets, en dan verschijnt daar langzaam, aan de andere kant van het deurraam, het glimlachende gezicht van de buschauffeur. De man heeft een zaklamp in zijn hand en schijnt die nu op zichzelf. Zijn verlichte gezicht lijkt te zweven tegen de pikzwarte achtergrond. Hij zwaait en gebaart naar de deur, zijn mond beweegt maar de geluiden zijn gedempt. Hij haalt iets uit zijn jaszak en dan schuift de busdeur sissend open.

‘Ik was je vergeten!’ roept het gezicht naar binnen.

‘Wat?’ zegt Sjoerd. ‘Wat is er gebeurd? Waar zijn we?’

‘Ik zat al bijna aan de koffie en toen dacht ik: ik heb die jongen nooit zien uitstappen. Kom!’

De buschauffeur gebaart naar Sjoerd om uit te stappen. En het voelt nog steeds vreemd, maar Sjoerd gehoorzaamt hem maar. ‘Waar zijn we?’ vraagt hij nogmaals.

De buschauffeur begint meteen te lopen. ‘De remise natuurlijk!’ roept hij over zijn schouder. Hij schijnt rond met zijn zaklamp op de geparkeerde bussen om hen heen. Hun voetstappen galmen in de ruimte, die nog veel groter moet zijn dan Sjoerd kan zien. Hij heeft spierpijn in zijn benen, zijn mond is uitgedroogd. Hoe laat zou het inmiddels zijn? Hoe lang had hij al in die bus gelegen?

De buschauffeur slalomt tussen de lange bussen door tot ze een muur bereiken. De man trekt een deur open en stapt erdoorheen, hij houdt de deur nog even open voor Sjoerd. De oneindige zwarte ruimte pakt zich razendsnel samen tot een lange smalle gang, helder verlicht met tl-buizen in een systeemplafond. Nog voor Sjoerd iets heeft kunnen vragen begint de buschauffeur alweer te lopen, hij kan niet anders dan zijn leiding volgen. Ze mogen de bus dan hebben achtergelaten, hun rolverdeling is nog dezelfde.

Als ze de hoek omslaan ziet Sjoerd een tegenligger, aan de andere kant van de gang. Het zal ook een buschauffeur zijn, hij heeft dezelfde kleding aan. Als ze de man passeren steekt de buschauffeur zijn hand op naar hem, de man doet tegelijkertijd hetzelfde terug. Ze maken ook hetzelfde geluid: ‘heuj’.

Ze slaan nog een hoek om, en nog een. Ze passeren nog een paar van die mannen, een vrouw. Heuj, heuj, heuj. Bij iedere hoek denkt Sjoerd: nu zullen we wel bij de uitgang komen, maar er lijkt geen einde te komen aan die gang. Tot ze opeens voor nog een deur staan. ‘We zijn er,’ zegt de buschauffeur.

De deur zwiept open en Sjoerd wordt overspoeld door het geluid. De buschauffeur stapt naar binnen en spreidt zijn armen. Voor hen ligt een grote hal, een enorme kantine met rijen aan lange tafels, vol mensen in dezelfde bedrijfskleding. Lichtblauwe hemden, donkerblauwe truien. Ze eten en drinken en zijn verwikkeld in geanimeerde gesprekken die tegen de muren en het hoge plafond weerkaatsen, samensmelten tot één groot geluid met klinkende glazen, het gerammel van plastic dienbladen.

Terwijl ze tussen de tafels doorlopen steekt de buschauffeur vrijwel onafgebroken zijn handen op, van alle tafels klinkt het geheuj. ‘Je hebt een goede nacht uitgekozen om in slaap te vallen in de bus,’ roept hij over zijn schouder. ‘Het jaarlijkse kerstdiner!’ Hij wijst naar een kerstboom, die aan de andere kant van de kantine naast een rij koelvitrines staat. De kerstboom is volgehangen met blauw-witte ballen, met daarop het logo van het vervoersbedrijf.

Bij de koelvitrines pakt de buschauffeur een dienblad, hij duwt er ook een in de handen van Sjoerd. De koelingen liggen vol met witte bolletjes met kaas, witte bolletjes met ham, even verderop staat een koeling vol glazen melk en glazen sinaasappelsap. De buschauffeur laadt zijn dienblad vol en loopt door naar een bar met daarop een aantal grote kannen. ‘Koffie?’ roept de buschauffeur naar Sjoerd, die nog naar de bolletjes kaas staat te kijken. ‘Er is ook warme chocomel! Met slagroom! Omdat het kerst is!’

De vanzelfsprekendheid waarmee dit allemaal gaat, Sjoerd heeft nog maar amper bevat waar hij zich precies bevindt en hij moet nu al bedenken wat hij wil drinken. Hij heeft ook nog niet veel eetlust, maar misschien gaat die slappe misselijkheid juist weg als hij wat eet.

‘Doe maar koffie,’ zegt Sjoerd. De buschauffeur steekt zijn duim op.

image ‘Heb je weer een slaper meegenomen?’ lacht een man als de buschauffeur en Sjoerd aankomen bij een tafel. Een paar andere chauffeurs schuiven op om ruimte te maken op hun bankje. Sjoerd knikt naar de tafelgenoten, hij durft ze maar kort aan te kijken, maar ziet enkel vriendelijke blikken.

‘Marouane, Gerard, Martin, Martin Twee, Kim, Monique, Ashwin, Yunus en Pavel.’ Een voor een wijst de buschauffeur iedereen aan. ‘Collega’s van de andere helft van het etmaal, we zien elkaar altijd even bij het wisselen van de wacht. Daarom is het kerstdiner ook nu, dit is het enige moment dat iedereen kan. Ik ben Sjoerd trouwens,’ zegt de buschauffeur. Hij steekt zijn hand uit.

Sjoerds adem wordt hem even benomen. Hij kijkt de buschauffeur recht in zijn ogen, inspecteert de details van zijn gezicht. Zo zeldzaam is die naam nou ook weer niet, besluit hij tenslotte, en hij schudt zijn hand, een stevige hand. ‘Ik heet ook Sjoerd,’ zegt Sjoerd.

‘Nou, dat is toevallig,’ zegt de buschauffeur. Hij keert zich naar de rest van de tafel. ‘Jongens, hij heet ook Sjoerd!’

De rest van de tafel lacht. De chauffeurs knikken met opgetrokken wenkbrauwen, alsof ze dit bijzondere feit nog even op zich moeten laten inwerken. ‘Dan ben jij Sjoerd Twee,’ zegt Martin Twee. Iedereen lacht nog eens.

Het eten doet Sjoerd goed. De witte bolletjes zijn vers, er zit een dikke laag boter op. De koffie is slap maar lekker warm. Hij kan de gesprekken aan tafel amper volgen, maar op die eerste opmerkingen na lijkt niemand nog in het bijzonder met hem bezig. Als er gelachen wordt lacht Sjoerd maar gewoon een beetje mee. Iedereen die langsloopt zou aan zijn kleren kunnen zien dat hij een buitenstaander is, maar voor Sjoerd voelt het alsof hij moeiteloos verdwijnt in de groep. Het is een prettig gevoel.

Op de tafel staan een paar kandelaars met kaarsen. Sjoerd staart naar een vlammetje, kauwt traag op zijn bolletje met kaas. Hoe meer zijn maag gevuld wordt, des te meer voelt Sjoerd hoe moe hij is. Hij zou wel naar bed willen zo, maar waar bevindt hij zich nou eigenlijk? Waar in de stad staat deze remise, hoe ver van zijn huis? En komt hij zijn huis wel in als zijn sleutel nog in zijn jaszak in die kroeg zit? Zijn huisgenoten zitten de kerstvakantie allemaal bij hun ouders. Sjoerd denkt aan zijn moeder, hij had gezegd dat hij dit jaar naar zijn vader zou gaan. Sjoerd denkt aan zijn vader, hij heeft hem al maanden niet gesproken.

‘Dankjewel voor het eten,’ zegt Sjoerd tegen buschauffeur. ‘Maar ik moet zo wel weer naar huis, denk ik.’

‘Hmhm,’ zegt de buschauffeur terwijl hij recht voor zich uit blijft kijken.

‘Maar eh, ja, hoe kom ik hier precies naar buiten?’ Sjoerd heeft al even rondgekeken, maar hij zag geen andere deur dan die waardoor zij zojuist naar binnen waren gekomen.

‘Het is een remise,’ zegt de buschauffeur. Hij lijkt even te denken dat dat volstaat als antwoord, maar Sjoerds verwarring is waarschijnlijk voelbaar. ‘Dus je kan hier alleen naar buiten met de bus. En de bus, ja, die komt hier altijd weer terug.’

‘Oke,’ zegt Sjoerd, die nog steeds niet ziet hoe dit een antwoord is op zijn vraag. ‘Hoe komen jullie zelf dan thuis?’

De buschauffeur kijkt Sjoerd nu pas aan. ‘Thuis?’

‘Ja,’ zegt Sjoerd.

‘Ik ben al thuis,’ zegt de buschauffeur.

Het begint Sjoerd even te duizelen. Op een ander uur van de dag, met meer slaap, had hij het vast beter kunnen begrijpen, dan had hij misschien de gaten in deze cirkelredenering kunnen aanwijzen, maar ook zonder het begrip voelt hij op een of andere manier wat de buschauffeur hem vertelt, en dat het waar is. Alle geluiden in de kantine klinken plotseling doffer, alsof er vlak naast zijn oor een granaat is afgegaan.

‘Is dit mijn straf? vraagt Sjoerd.

‘Straf?’ vraagt de buschauffeur.

‘Omdat ik vals speelde met schaken?’

‘Nee, dat denk ik niet.’

‘Ik zou niet eens weten hoe ik zou moeten valsspelen. Ik snap niets van dat spel.’

‘Je bent gewoon moe, dat zien we vaker bij mensen die in slaap vallen in de bus, die zijn vaak gewoon heel erg moe.’

De buschauffeur neemt hem niet in de maling, ziet Sjoerd, deze man is de onschuld zelve. Misschien is hij hier zelf ook zo terechtgekomen, is dit hoe iedereen in deze kantine ooit begonnen is. Marouane, Monique, Martin Twee.

‘Is het omdat ik mijn leven vergooi?’ vraagt Sjoerd.

‘Welnee,’ zegt de buschauffeur. ‘Denk je dat?’

‘Ik weet gewoon niet wat ik aan het doen ben. Het gaat nergens heen.’

De buschauffeur eet eerst zijn mond leeg en draait dan zijn hele lichaam naar Sjoerd, hij buigt zich iets dichterbij. ‘Ergens heen…,’ zegt hij. ‘Als buschauffeur ga je toch iets anders naar het leven kijken. Je gaat niet ergens heen, het is meer cyclisch. Het leven maakt rondjes, als het ware. Af en toe stappen mensen in, even verderop stappen ze weer uit.’

Sjoerd blijft even stil. De buschauffeur en hij kijken elkaar aan, het kan een paar seconden geweest zijn, een paar jaar.

‘Maar ik weet niet hoe ik een bus moet besturen,’ zegt Sjoerd.

De buschauffeur glimlacht, hij legt een hand op Sjoerds schouder. ‘Ik kan het je leren.’

— Tot zover. Fijne feestdagen allemaal, hoe je het ook viert. Mocht je meer van dit willen, dan kan je bijvoorbeeld mijn roman lezen die afgelopen jaar uitkwam, Een kern van waarheid, of anders mijn debuutroman uit 2020, Een goede nachtrust. Mocht je dat allemaal al gedaan hebben, dankjewel! Je doet al meer dan genoeg, en ik ga in het nieuwe jaar gewoon weer mijn best doen om nog een boek te schrijven. Bedankt voor het luisteren, en mocht je een dezer dagen in een bus zitten, doe de chauffeur de groeten van me.